Begrippen

Rondom de ecologie en op deze site worden heel veel moeilijke woorden gebruikt. Om alles een beetje begrijpelijker te maken hebben we er hier een aantal voor je staan!

Exoten
Exoten zijn planten en dieren die oorspronkelijk niet in het land leefden waar ze nu zijn. Ze zijn met behulp van mensen in dit land gekomen. Omdat ze nieuw zijn, zijn er geen predatoren, dieren waardoor ze worden opgegeten. Ze zijn onbekend dus kunnen ze zich snel voortplanten zonder dat ze opgegeten worden. Exoten kunnen ook plagen vormen, doordat ze ziekten meebrengen. Sommige inheemse organismen verdwijnen doordat ze niet tegen de ziekten kunnen die de exoten meebrengen.

 

Draagkracht
Draagkracht is de maximale populatiegrootte die een ecosysteem over een langere tijd aankan. Dus dat betekent dat er een maximaal aantal dieren van een populatie in een ecosysteem kan leven.

 

Populatiedichtheid
De populatiedichtheid is het gemiddeld aantal individuen per oppervlakte-eenheid (op het land) of per volume-eenheid (in het water), dus hoeveel dieren van een populatie bij elkaar leven in een bepaald gebied.

 

Competitie

Competitie gaat bijvoorbeeld over de strijd tussen organismen over de beschikbaarheid van voedsel, een partner bij voortplanting, de beschikbare ruimte of de beschikbare hoeveelheid licht. Tussen of binnen populaties kun je dit zien als concurrentie, het is een strijd. Hierbij is natuurlijke selectie van belang. De individuen die zich goed hebben aangepast aan hun leefomgeving hebben de grootste overlevingskans.

 

Coöperatie
Coöperatie is het samenwerken binnen een populatie. Binnen een populatie kunnen bijvoorbeeld dieren zorgen voor de verdediging, voor het voedsel en voor de voortplanting. Door samen te werken, wordt de kans groter om prooien te vangen en het geeft extra bescherming. Coöperatie tussen populaties vindt ook plaats. Facilitatie is hier een voorbeeld van. Populaties helpen elkaar bijvoorbeeld met voedsel vinden, maar ze hebben dat zelf niet eens bewust door. Een hyena laat bijvoorbeeld resten aas liggen voor de gieren of andere aaseters. 

 

Facilitatie
Facilitatie betekent dat soorten zich gaan specialiseren. Hierdoor gaan ze een ondersteunende rol spelen. De competitie wordt hierdoor minder. De ene populatie kan hierdoor de kansen van een andere populatie verbeteren. Een voorbeeld zijn de grazers in een weiland. De grote grazers eten de grote planten op. Zo is er ruimte voor de kleine grazers, deze kunnen bij de kleine grassprietjes. Zo kunnen beide soorten overleven.

 

Symbiose

Symbiose is het langdurig samenleven van individuen van verschillende soorten. Dit kan voordelig zijn voor beide individuen, neutraal (voor het ene individu zit er geen voordeel en geen nadeel aan)  of nadelig voor één individu zijn. Met andere woorden noemen we dit mutualisme, commensalisme en parasitisme.

 

Mutualisme
Bij mutualisme zit er voor beide individuen een voordeel aan om samen te leven. De vogel maakt de tanden van de krokodil schoon. De vogel heeft voordeel, omdat hij weer eten heeft. De krokodil heeft ook voordeel, want zijn tanden zijn weer schoon.

Commensalisme
Bij commensalisme heeft slechts één individu voordeel van het samenleven, terwijl de andere géén voordeel maar ook géén nadeel heeft. Een voorbeeld: de clownsvis schuilt in de zeeanemoon. De clownsvis heeft voordeel, de zeeanemoon geen voordeel, maar ook geen nadeel.

Parasitisme
Bij parasitisme heeft één individu voordeel en één individu nadeel van het samenleven. Bij parasitisme leeft het individu op of in een ander soort individu en haalt hier voedsel vandaan. Een voorbeeld is de mug. Als de mug je steekt, zuigt hij bloed uit je lichaam. De mug heeft voordeel, het slachtoffer heeft nadeel.

Chemische communicatie

Chemische communicatie is dat dieren elkaar ruiken als ze op een plek zijn geweest. Het afscheiden van geuren maakt onderdeel uit van chemische communicatie. Dieren kunnen hierdoor hun prooi ruiken en daardoor eten vinden, maar de prooidieren kunnen ook de roofdieren ruiken en vluchten en daardoor overleven zij weer. 

 

Successie

Successie is de verandering van de soortensamenstelling van een levensgemeenschap, zodat deze geleidelijk in een andere overgaat. Er bestaat primaire en secundaire successie. Primaire successie vindt plaats op een kale ondergrond. Secundaire successie vindt plaats als er al een humus bevattende bodem aanwezig is. Het verschil tussen een pioniersecosysteem en een climaxecosysteem is dat na het climaxecosysteem geen successie meer plaatsvindt. Bij het pioniersecosysteem komt nog successie voor. De Sahara is een pioniersecosysteem, omdat er weinig humus in de grond aanwezig is, de grond is niet vruchtbaar. In de Sahara vindt niet veel successie plaats, dit komt doordat het erg droog is en er valt weinig neerslag.

 

Biologisch evenwicht

Een biologisch evenwicht betekent dat de hoeveelheid individuen schommelt rond de draagkracht. Er zijn geen grote veranderingen.  De grafiek ziet er een beetje zoals hieronder. Op de horizontale as staat de tijd, op de verticale as staan het aantal individuen.

In de Sahara zijn het aantal cactussen een biologisch evenwicht. Het aantal schommelt rond hetzelfde aantal. De bedreiging voor dit evenwicht is neerslag. Als er te veel neerslag valt, kunnen de cactussen dood gaan. Dan wordt het evenwicht opeens verstoord. Het aantal cactussen neemt af en dan schommelt het niet meer rond de draagkracht.

Als een ecosysteem één evenwichtssituatie heeft, schommelt het aantal individuen rond de draagkracht. Als twee evenwichtssituaties heeft, is er een erge verandering in het ecosysteem geweest. Na de verandering ontstaat er een nieuw evenwicht. Een voorbeeld is de sloot met troebel en helder water. Het is moeilijk om van troebel water weer terug te gaan naar helder water.

De naam geen evenwicht zegt al wel wat het betekent. De oorzaak van dat er geen evenwicht is, is omdat er twee soorten of populaties door elkaar heen lopen. Een voorbeeld van het grote fytoplankton en het kleine fytoplankton. Er is een groei van het grote fytoplankton, door gunstige omstandigheden. Hierdoor kwam er een toename van de roeipootkreeftjes, die het grote fytoplankton weer opaten. Zo kwam er weer meer ruimte voor het kleine fytoplankton. Dit verschijnsel herhaalt zich steeds opnieuw.

Het verschil tussen een biologisch evenwicht dat schommelt en twee evenwichtssituaties is dat je bij een biologisch evenwicht makkelijk van hoog naar laag kan, maar bij twee evenwichtssituaties je moeilijk terug kan naar de andere evenwichtssituatie.

Als er twee evenwichten zijn in een ecosysteem, is dit dus moeilijk om van het ene evenwicht naar het andere evenwicht te gaan. Maar dit kan wel gebeuren. Als er in de Sahara opeens vaker veel neerslag valt, kunnen de cactussen doodgaan. Dit verstoord het evenwicht. Als er veel cactussen dood gaan, en er veel regen is gevallen, kunnen er andere woestijnplanten gaan groeien. Deze verandering van de abiotische factor kan ook gevolgen hebben voor andere organismen die hier leven. Het evenwicht is dus over het kantelpunt gegaan naar een ander evenwicht.

 

 Het plaatje rechts is een instabiel evenwicht, hij kan naar het ene en naar het andere evenwicht. Het tweede plaatje is een stabiel evenwicht. Het balletje kan nu moeilijk van het ene naar het andere evenwicht.

 

Bruto en netto primaire productie

De bruto primaire productie in de Sahara is alle energie die de producenten samen (=biomassa) vastleggen/opnemen.

Een deel hiervan zullen de producenten dissimileren. Dessimileren is een stofwisselingsreactie waarbij organisch weefsel wordt afgebroken. Ook kan er een deel opgenomen energie omgezet worden in glucose, dat hoort ook bij de bruto primaire productie. Wat overblijft zullen de producenten gebruiken om te groeien, dit is de netto primaire productie. Dus wat is de biomassa gaat zitten. De producenten groeien oftewel de biomassa neemt toe.

 

Productiviteit

De productiviteit is wat er overblijft van de oorspronkelijk opgenomen energie. Dit is de toename van biomassa per tijdseenheid.